“Vlegelprofielen voor de modelbouw”; oorspronkelijke titel: “Aerofoils for Aeromodellers”
De gemiddelde modelbouwer die zich aan eigen ontwerpen waagt kampt met drie problemen: profielkeuze, rofielgegevens, profiel tekenen. Dit boek biedt hiervoor oplossingen: het bevat een groot aantal beproefde profielen en geeft deze weer in cijfers en tekeningen.
Martyn Pressnell | Kluwer Deventer, 1980 | Nederlands | ISBN 90-201-1180-9
“ARF Schaummodelle”
Er bestaat inmiddels een overweldigend aanbod aan ARF modellen die deels in kunststof schuim modellen worden aangeboden. Modellen die in alle lagen van de modelvliegers, na enige aarzeling, bewondering afdwingen. Dit materiaal gebruik heeft met name bij zwevers een hoge vlucht genomen. In dit boek staan talloze tips vermeld om van de “piepschuim model” een hoogwaardig modelvliegtuig te maken.
Hinrik Schulte| FMT-Fachbuch, 2006 | Duits | ISBN 3-88180-764-0
“ARF-Modelle richtig bauen”
Rüdiger Götz is een bekende Duitse modelpiloot en publicist. Zijn boek richt zich vooral op modelpiloten die met ARF-modellen vliegen. Dit boek richt zich tot modelbowers die ARF modellen willen bouwen en vliegen. Naast het bouwen wordt uiteengezet hoe bijvoorbeeld een landingsgestel moet worden ingebouwd of hoe een cockpitkap bevestigd kan worden. De auteur beschrijft hoe de verschillende onderdelen en componenten veilig en betrouwbaar aangebracht en afgesteld moeten worden.
Rüdiger Götz | Neckar-Verlag | Duits
“Vliegen met R/C bestuurde zweefvliegtuigen”
Het vliegen met modelzweefvliegtuigen is een sport waar techniek en natuur met elkaar samenspelen. Het zweven is daarom een bijzondere tak van de modelvliegsport.. De auteur gaat in op de specifieke eisen die aan een (elektro)zwever worden gesteld. Naast technische informatie, onderhoud van accu’s e.d. wordt informatie gegeven over de kunst van het zweven zelf.
J.J. Melchior | De Muiderkring | Nederlands
“Modellmotoren für Flug-, Schiffs- und Automodelle”

Prof. Dr.-Ing. Peter Demuth was een begaafd technicus en enthousiast modelbouwer. Hij studeerde werktuigbouwkunde aan de universiteit van Karlsruhe en was als ontwikkelingsingenieur werkzaam bij de Weserflugzeigbau, Brouwn Boveri Company en Daimler-Benz en werkte aan de ontwikkeling van helikopters, turboladers en dieselmotoren. Sinds 1950 hield hij zich intensief bezig met de modelbouw. Hij was meervoudig Duits kampioen in de categorie vliegende vleugels met verbrandingsmotoren. In de internationale vakwereld gold hij als een deskundig en kritisch onderzoeker. Pether Demuth overleed in 1991.
De negende uitgave van dit boek is bewerkt door Dipl.-Ing. Jörg Rußow die als ontwikkelingsingenieur heeft gewerkt bij MBB-Airbus en thans bij Daimler-Benz werkt op het gebied van de aërodynamica van personenauto’s. Jörg Rußow is sinds 1971 modelbouwer en zet zich er vooral voor in om de prestatie metingen van Peter Demuth voor te zetten.
De techniek van modelmotoren is door de eenvoud fascinerend en het werken er mee kan tot een passie leiden. Hoewel het voor anderen een kwelling kan zijn klinkt het zingende hoogtonige uitlaatgeluid klinkt de ware liefhebber als muziek in de oren.Voor sommigen zijn het juweeltjes die je in een vitrine bewaard voor anderen zijn het de kleine krachtpatsers die hun modellen, vaak met grote snelheid, voorbewegen. Voor hen is het belangrijk om over een stuk fundamentele kennis te beschikken waarmee zij hun krachtbronnen optimaal kunnen inzetten en “tunen”.
Helaas vindt de modelbouwer in bouwbeschrijvingen en handleidingen wel praktische aanwijzingen over het gebruik van motoren, doch niet of nauwelijks achtergrondinformatie over de werking of over prestatiekarakteristieken.
Er bestaan weinig boeken die als een standaard werk over de techniek, de bouw en het meten van prestaties aangemerkt kunnen worden. Dit driehonderd pagina’s dikke boek behoort ongetwijfeld tot deze zeldzame categorie. Het eerste hoofdstuk beschrijft de ontwikkeling van modelmotoren vanaf het begin van deze eeuw tot aan de stand van de techniek van vandaag. De werking van de verschillende motor typen worden vervolgens beschreven, gevolgd door een lang hoofdstuk met een uitleg over de werking en constructie van alle onderdelen. Leuk is ook om te lezen dat de nu alom toegepaste gloeiplug ontsteking in de veertiger jaren eigenlijk bij toeval door Ray Arden is ontdekt en dat men tot op heden het ontstekingsproces nog steeds niet wetenschappelijk kan verklaren. In hoofdstuk 4 wordt het beïnvloeden en meten van de prestatie parameters, die een van de kenmerken van het werk van Peter Demuth zijn, nader uiteen gezet.
In hoofdstuk 5 worden alle randvoorzieningen, zoals brandstoftank, spinner, propeller, schroeven, koelvoorzieningen, geluiddempers, etc. beschreven met zijn specifieke eigenschappen en de invloed hiervan op de uiteindelijke prestaties van het geheel. Hierna volgt een hoofdstuk over brandstof en de eigenschappen van brandstoffen en smeermiddelen.
Geluid (lawaai) is een belangrijk aspect geweest bij de latere ontwikkeling van modelmotoren en daarom wordt uitvoerig stilgestaan bij dit fenomeen en de methoden om dit te meten en te verminderen. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de praktijk.
Het boek “Modellmotoren für Flug-, Schiffs- und Automodelle” is een ware “fundgrube” voor modelbouwers die zich serieus met modelmotoren bezig houden. Zeer waardevol zijn de resultaten van metingen die Peter Demuth aan deze motoren heeft uitgevoerd. Het is een boek van hoog niveau en een degelijke kwaliteit en mag eigenlijk in de boekenkast van de serieuze modelbouwer niet missen. De vele foto’s, (doorsnede)tekeningen, diagrammen en tabellen bevestigen de fundamentele, grondige en uiterst deskundige wijze waarop Peter Demuth met zijn hobby bezig is geweest. Het is te hopen dat zijn opvolger dit werk op hetzelfde niveau kan voortzetten.
Het boek is helaas alleen in de Duitse taal beschikbaar, maar de tekst is van een zodanige technische helderheid dat het voor iemand die deze taal maar enigszins beheerst zeer goed te begrijpen is vooral omdat het illustratiemateriaal toch zijn eigen internationale taal spreekt.

Es gibt wenige Bücher, die als Standardwerke über die Technik im Modellbaubereich bezeichnet werden können. Das vorliegende gehört mit Sicherheit zu dieser seltenen Kategorie. Seitseinem Erscheinen im Jahr 1967 hat es unzähligen Modellbauern und Herstellern von Modellmotoren als NachscWagewerk gedient, da die Thematik von Prof. Dr.-Ing. PeterDemuth in recht umfassender Weise abgehandelt worden ist. In den Jahren seit der letzten Überarbeitung des Buchs ist die Entwicklung nicht stehen geblieben. Neue Motoren sind auf den Markt gekommen und auch die Zubehörteile, insbesondere auf dem Modellflugsektor, sind weiterentwickelt worden. Leider konnte er das alles nicht mehr miterleben.
Die Technik der Modellmotoren ist faszinierend und die Beschäftigung damit kann zur Leidenschaft werden. Der singende Auspuffton der hochtourigen Kleinstmotoren in Flug-, Schiffs- oder Automodellen ist Musik für das Ohr eines motorbegeisterten Modellbauers.
Aber nicht immer findet der Bastler in der Bauanleitung zu einem Modell alle Fragen beantwortet, die der Einbau und Betrieb eines Modellmotors aufwirft. Ebenso sucht der Modellbauer, der Rekorde aufstellen will, eine fundierte Anleitung zur Verbesserung und Leistungsanhebung seines Motors.
Auch der Student oder Techniker, der sich mit der Konstruktion von Modellmotoren befasst, findet in diesem Buch sicher manche Anregung und vieIe Erfahrungswerte. Für diese Interessenten wurde das Buch geschrieben und durch eine Sammlung von Leistungskurven und Kurzbeschreibungen einiger Modellmotoren ergänzt.
Prof. Dr.-Ing. Peter Dehmuth, bewerkt door Jörg Rußow. | Neckar-Verlag | Duits |
ISBN 3-7883-3115-1.
“Selbstbau von Brushless-Ausenlaufer-Motoren praxisnah erklart”+DVD

Dit boek geeft een uitstekende voorlichting over de werking en het zelf bouwen van buitenlopers, de z.g.n. LRK-motoren. Met een DVD wordt nogmaals didelijk gemaakt hoe men zelf ook deze motoren kan bouwen uit motoren van CD spelers.

Eines Tages begann der Autor, sich mit dem Selbstbau von Brushlessmotoren auseinander zu setzen, nicht ahnend, dass sich daras ein eigenständiges Hobby entwickeln würde. Seine im Laf der Zeit erworbene Erfahrungen gibt er nun im vorliegenden Buch weiter. Dabei ist es ihm gelungen, ohne viel theoretischen Ballast eine Einführung in den Selbstbau von BL-Aussenläufern zu erstellen. Einmal mit dem BL-Selbstbauvirus infiziert, werden auch Sie kaum mehr davon loskommen! Diesem Buch lisgt auch eine 15-minutigen DVD "Vom CD-Laufwerk zum Brushlessmotor" bei.
Heinrich Hilgers | Neckar-Verlag | Duits | ISBN 3-7883-0683-1
“Das Segelflugmodell”, Delen 1, 2 en 3

De drie delen geven een overzicht van alle zaken die bij modelzweefvliegtuigen van belang zijn.Het is het meest complete overzicht op dit gebied van de modelvliegerij met zweefvliegtuigen en is een aanrader voor iedereen die zich in deze materie wenst te verdiepen.

Teil 1
In diesem Standaardwerk für die Auslegung von Segelflugmodellen geht's ans Eingemachte: Wie groß muss dat Leitwerk sein? Was hat es mit der Richtungsstabilität auf sich und wie berechnet man den Schwerkunkt richtig? Nur drei Fragen, audf die dieses Buch erschöpfende Antwort ginbt. Dieses Buch ist in 12 Kapitel gegliedert und schliesst miet einer 140 Profile umfassenden Sammlung mit Koordinaten ab.
Teil 2
Das Anliegen de Autors in Band 2 ist es, den Modelflieger in verständlicher Form möglichst umfassend über das Wissensgebiet zu informieren. Bemerkenswert an Band 2 ist der breite Raum, den der Autor dem heiklen Kapitel mder Statik widmet. Er bietet Berechnungsgrundlagen für Holme an und überprüft die Theorie in Bruchtests. Im Anhang: eine Profielsammlung aus den Familien NACA 63A und NCEP.
Teil 3
Im 3. Band seiner Trilogie beschäftigt sich Franz Perseke weiter mit der aerodynamischen Optimierung nd Modellaulegng. Im Vordergrund steht hier das Hochleistungsmodell unter Einbeziehung der Profieloptimierung. Vor- und Nachteile verschiedener Flachengeometrien sind ebenso erlätert wie eine Methode zur Bestimmung van Höhenleiterkhebel ind Seitenleitwerksfläche.
Frans Perseke | Neckar-Verlag | Duits | ISBN 3-7883-1154-1 | ISBN 3-7883-1160-6 | ISBN 3-7883-0197-X
“Holzbauweisen im Flugmodellbau”
De bouw van modelvliegtigen in hout is zo oud als de hobby zelf. Ook bij de thans beschikbare ARF modellen is te zien dat hout constructies, heel modern gefabriceerd nog steeds van betekenis zijn. Deze ontwikkeling geeft aan dat dit natuurproduct nog steeds van betekenis is.
Rudiger Gotz | Neckar-Verlag | Duits | ISBN 3-7883-2135-0
“Kunstflug mit RC-Modellen”
In dit boekwerk heeft de auteur zijn dertig jarige ervaring op het gebied van de radiografisch bestuurde modelvliegtuigen in de klassen F3A, F3A-X, TOC en EAC beschreven. Nieuw zijn de ervaringen met de elektro aangedreven modellen.
Peter Wessels | Neckar-Verlag | 2006 | Duits | ISBN 10: 3-7883-0693-9
“Motorkunsflug mit RC-modellen”
In dit boek worden de grondbeginselen van kunstvlucht figuren met meer dan 130 figuren uiteengezet. Op aanschouwelijke wijze wordt getoond hoe kunstvlucht figuren met de erbij behorende knuppel handelingen moeten/kunnen worden gevlogen.
Lothar Beyer | FMT Fachbuch | 2006 | Duits | ISBN 3-88180-758-6
De uitgaven van Neckar-Verlag zijn ook te bestellen via Uitgeverij Kwiklink, Postbus 77, 6460 AB Kerkrade, tel: 045 5670222, fax: 045 5670233. Kijk ook op de virtuele boekwinkel: www.modelbouw-aktueel.nl .
Tijdschriften
- Modelbouw actueel
Verschijnt: twee maandelijks
Taal: Nederlands
Uitgever Kwicklink | Postbus 77 | 6460 AB Kerkrade
Onderwerpen: Vliegtuigen, boten en auto’s
Site: www.modelbouw-aktueel.nl
- Modell
Verschijnt: maandelijks
Taal : Duits
Uitgever: Neckar-Verlag Villingen-Schwenningen
Onderwerp: “Fachzeitschrift für den fungesteuerten Modellflug”
- Modell Aviator
Verschijnt: maandelijks
Taal : Duits
Uitgeverij: Welhausen & Marquardt, Hamburg
- Aircraft
Taal : Engels
DVD's en CD's
- Airmix Fliegerfilme
Becker Sunline | Milanweg 8 | D-59425 Unna
Site: www.airmix.de
Onderwerp: Modelflug Total
Het brede pakket van mogelijkheden van de vliegtuig modelsport worden op deze video gepresenteerd.
Overkoepelende organisaties + (belangen)verenigingen.
KNVVL
Algemene informatie
Modelvliegen, hoe gaat dat nou eigenlijk in zijn werk en wat heb je nodig? Op deze pagina geven we een algemene indruk over wat er bij komt kijken. Als voorbeeld gebruiken wij een radio bestuurd motor model omdat deze vrij gebruikelijk zijn maar er zijn natuurlijk ook andere mogelijkheden of lees iets over de geschiedenis.
Het modelvliegtuig
We beginnen met het modelvliegtuig zelf, dat komt van een tekening, bouwdoos, of Almost Ready to Fly (gedeeltelijk voorgebouwd) we gaan hier voor het gemak uit van een bouwdoos. Nu hebben we een vliegtuig maar dat alleen is nog niet genoeg, om het (af) te bouwen hebben we zaken als lijm, epoxy en gereedschap nodig. In aanvulling van de bouwdoos diverse kleine onderdelen zoals bv. stuurstangen, scharnieren en wielen maar dat varieert per merk en uitvoering. Het vliegtuig is een houten frame / geraamte en dat snel en gemakkelijk met een (krimp)folie op polyester basis worden bespannen. Dit doe je door het te verhitten met een strijkbout, waardoor de lijmlaag zich vasthecht en de folie zich strak spant. De bouw van een doorsnee model zal enige weken in beslag nemen, terwijl een A.R.F. model in enige dagen een vliegklaar product oplevert. Naast het vliegtuig zelf hebben we nu nog de besturing en een motor nodig.
|
De radio besturing
De besturing wordt geleverd als set, hierin zit de zender met twee proportionele stuurknuppels waarmee het model bediend zal worden. De zender beschikt over een oplaadbare accu van 9,6 volt die goed is voor uren lang vliegplezier. De zender heeft een meter om de spanning van de zenderaccu te controleren. Tevens zit in de set de apparatuur voor in het model. Dit zijn diverse componenten: de ontvanger krijgt logischerwijs de signalen van de zender. De ontvanger stuurt hiermee meerdere servo’s, de kleine motoren die de signalen van de zender in beweging omzetten. De ontvanger wordt gevoed door een oplaadbare accu van 4,8 volt. Deze zit aan een kleine kabelboom waarin ook een aan/uit schakelaar en een ingang om de accu in het model op te laden. De servo’s zitten via stuurkabels verbonden aan de roeren, gasschuif van de motor en eventueel andere functies van het model. De zender en ontvanger werken op een zelfde frequentie die wordt bepaald door de kristallen die er in zitten. Deze kristellen zijn verwisselbaar en los in vele frequenties te verkrijgen waardoor er met meerdere modellen tegelijk gevlogen kan worden zonder dat men storing van elkaar ondervindt. Daarnaast is ook een universeel lader nodig om de zender en ontvanger op te laden.
|
|
|
Motorisering
Voor de aandrijving van het model dient (als voorbeeld) een klein 2 takt motortje van gemiddeld 5 cc dat volgens een diesel principe werkt. Deze motoren hebben geen ontsteking maar een gloeiplug die voor het starten moet worden gevoed middels een externe accu. De brandstofvoorziening komt uit een (kant en klaar) kunststof tankje. In deze tank zit en stukje brandstofslang men een verzwaard uiteinde, de zogenaamde clunk (een naam die komt uit de tijd dat de tanks nog van blik waren en de clunk dit geluid maakte) De clunk wordt door de zwaartekracht altijd onder in de brandstof gehouden. Via een nippel op de uitlaatdemper van de motor bouwt men druk op in de tank om gemakkelijk zonder hulpmiddelen brandstof uit de tank te krijgen. Deze brandstof bestaat uit een mengsel van methanol, smeerolie en nitromethaan. In een verhouding van respectievelijk 75, 20 en 5 %. De motor kan als deze volgetankt is en de gloeiplug aangesloten met de hand of een externe startmotor worden gestart. Nadat de afstelling van de motor is gecontroleerd kan deze zonder de externe hulpmiddelen verder en zal ongeveer 15 minuten kunnen vliegen. Ook hier hebben we nog enige zaken nodig. Om de motor te kunnen starten is er een gloeiplugclip of knijper nodig en 1,5V batterij. Om het vliegtuig te tanken voldoet een knijpflesje of handpomp, en om de motor aan te slingeren is een dikke rubberen beschermvinger of startstokje noodzakelijk. Er zijn ook speciale startmotoren verkrijgbaar.
Legalisering 2,4 GHz (bron KNVVL modelvliegsport)
Op 14 mei 2008 heeft de Europese Commissie in Brussel een speciale vergadering bijeen geroepen om de noodzakelijke veranderingen in de Europese regelgeving voor het gebruik van de vergunningsvrije 2,4 GHz band te bespreken. Een dreigend twistpunt was het gebruik van 100 mW zenders voor radiobesturing.
Door een goed georganiseerde lobby van de modelvliegwereld ziet de toekomst van het gebruik van 2,4 GHz apparatuur voor radiobesturing er zonnig uit.
Uitgenodigd waren: de nationale aeroclubs van de meeste Europese landen en vertegenwoordigers van de RC-industrie aan de ene kant en de huidige hoofdgebruikers van het 100 mW zendvermogen (RLAN applicaties zoals WiFi) aan de andere kant. Daartussen de regulerende nationale autoriteiten waaronder Agentschap Telecom.
In totaal waren er zo’n 40 aanwezigen, met Wim Verwijmeren en Boudewijn Swanenburg namens de KNVvL en onze collega’s uit o.a. België, Duitsland en Engeland.
Om het Europese en mondiale belang te onderstrepen waren op voorstel van de KNVvL ook Europe Air Sports en de CIAM (de modelvliegafdeling van de FAI) uitgenodigd.
De opening van de vergadering werd gekenmerkt door de zeer positieve houding van de Europese Commissie.
De WiFi lobby werd de gelegenheid gegeven om duidelijk te maken dat “vervuiling” van de 2,4 GHz band met een zendvermogen van 100 mW hun grootste zorg is. Oorspronkelijk wilden zij het gebruik van 100 mW zendvermogen uitsluitend voor RLAN toepassingen reserveren. Dit is op zich niet ongegrond omdat 2,4 GHz applicaties zich als wildvuur verspreiden. Het grote succes van WiFi toepassingen is vooral te danken aan het “beleefde” protocol waarmee iedere zender ruimte zoekt in de band, zodanig dat alle gebruikers als gelijken worden behandeld. Het probleem is nu dat in de officiële specificaties de globale eisen die aan een veilig protocol moeten worden gesteld onvoldoende zijn vastgelegd. Men is dus beducht voor het toelaten van toepassingen die agressiever te werk zouden kunnen gaan en daardoor netwerken gaan storen. Dit zou zowel voor WiFi toepassingen, maar ook voor radiobesturing, desastreus zijn.
Aan het gebruik van 10 mW zenders worden minder eisen gesteld en kan zonder meer voor radiobesturing worden toegepast. Voor modelvliegen is dit echter in het algemeen geen voldoende betrouwbaar alternatief.
Vooral Europe Air Sports en de CIAM maakten duidelijk dat de enorme verbetering van de vliegveiligheid door het gebruik van 2,4 GHz apparatuur niet onbenut gelaten kan en mag worden. Ook wezen zij op de unieke kans om voor het eerst een veilige wereldwijde standaard voor modelbesturing tot stand te brengen. Zij effenden hiermee de politieke drempel voor het gebruik van 2,4 GHz apparatuur voor modelvliegen.
Met name de vertegenwoordiger van Robbe maakte duidelijk dat de RC- industrie uiterst zorgvuldig omgaat met de keuze van het betreffende protocol en beslist geen geforceerde toegang tot een 2,4 GHz frequentie afdwingt. De doorslaggevende reden daarvoor is uiteraard dat de RC apparatuur ook onderling storingsvrij moet werken, een eigenschap die inmiddels ook in de praktijk ruimschoots is bewezen. Deze garantie bracht de twee kampen een stuk dichter bij elkaar.
Na verdere besprekingen van de ingezonden stukken (van aeroclubs en industrie) waren er geen doorslaggevende tegenargumenten meer om het 100 mW zendvermogen voor modelvliegen (maar ook andere RC toepassingen, zowel buiten als binnen) toe te staan onder voorwaarde dat de gebruikte apparatuur inderdaad voldoet aan de nog op te stellen definitie van het “medium access protocol” zoals dat officieel heet.
De Europese Commissie zal in juni vergaderen om deze conclusie met alle Europese landen te bespreken. De definitieve EU regelgeving zal in het tweede kwartaal 2009 zijn afgerond. De nationale autoriteiten die deze toepassing nu nog verbieden zal worden aanbevolen dit verbod op te schorten vooruitlopend op de definitieve besluitvorming.
Na eerdere discussies tussen de KNVvL en Agentschap Telecom is het gebruik van 100 mW zenders in Nederland sinds kort toegestaan (tijdens de vergadering in Brussel was dit niet duidelijk, maar het misverstand is vandaag telefonisch met Agentschap Telecom opgehelderd; zie voetnoot) en dit zal dus naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst ook zo blijven.
Al met al hebben “de modelvliegers” indruk gemaakt met de manier waarop zij zich op korte termijn hadden georganiseerd en door de letterlijk indrukwekkende documentatie waarmee hun argumenten naar voren werden gebracht. Het is zonneklaar dat zonder de gedreven en deskundige inzet van nationale en internationale bonden samen met de industrie het gebruik van 2,4 GHz in Europa een snel voorbijgaande droom geweest zou zijn.
|