Kunstvlucht


Hoewel deze site zich richt op de beginnende modelpiloten willen we het gebied van kunstvliegen niet helemaal omzeilen. Beginnende piloten zullen zich hiertoe aangetrokken voelen zodra het "gewone" vliegen wordt beheerst. Daarom in een kort bestek wat tips voor het instellen van een vliegtuig. Mogelijk wordt in volgende versies van www.funfly.nl hierop verder ingegaan.

Checklist voor het statisch instellen van het model:

  • zwaartepunt volgens opgave fabrikant of tekening instellen
  • balanceren van de langsas
  • sporing en loop van het landingsgestel controleren
  • carburateur instellen voor vollast en stationair
  • propeller balanceren
  • instelhoekverschil van de vleugel instellen
  • domping en zijstelling instellen
  • roerbewegingen en expo-percentage instellen en controleren
  • rolroerdifferentiatie instellen
  • motorloop(tijd) controleren
  • rijkwijdtetest uitvoeren

Checklist voor het dynamisch afstellen van een (kunstvlucht)model in de vlucht:

  • controleren van de horizontale vlucht (bij voorkeur bij windstil weer)
  • controleren van het effect van de roeritslagen en expo percentage
  • rolsnelheid, loopingdiameter en overtreksnelheid testen
  • trimmen om de drie assen
  • instelhoekverschil controleren
  • bij een gedeeld hoogteroer controleren op het effect van beide delen
  • evenwicht van de vleugelhelften onder g-belasting (bochten)
  • controle op de: V-stelling, motordomping, motorzijstelling, mesvlucht, rolroer defferentiatie.

Voor de dynamische tests zijn diverse vliegmanouvres nodig waarop in een latere versie van deze site kan worden ingegaan.

Aerobatics

Het vliegen begint met de basis manoeuvres die nodig zijn om het vliegtuig te beheersen. Als dit voldoende wordt beheerst ontstaat al snel de behoefte om nog een beetje verder te gaan en worden ook speciale manoeuvres uitgeprobeerd en dat is dan het begin van kunstvlucht of aerobatics.
Het uitvoeren van kunstvlucht figuren vraagt kennis van de beginselen van het besturen van een vliegtuig en met name de werking en het effect van de roerbewegingen. Daarbij is veel oefening en ervaring nodig om onder wisselende weersomstandigheden de figuren te kunnen uitvoeren. In het begin zullen alleen al de eenvoudige figuren geoefend kunnen worden en zal er toch al weer een nieuwe dimensie aan het modelvliegen worden toegevoegd.
Probeer de eerste eenvoudige figuren met hulp van een ervaren piloot of instructeur, die de verschillende stuur acties kan uitleggen en de figuren kan demonstreren en
wat er mis kan gaan tijdens je vlucht en hoe je dit kunt herstellen.
De spin zoals ik vorige keer ook al aanhaalde was origineel een onbedoelde manoeuvre die in het verleden ook vaak fataal afliep, maar tegenwoordig is dit een figuur die hoort bij één van de oefeningen die gevlogen worden op aerobatic shows en die je zelfs moet kunnen corrigeren bij het vliegen op sportvliegtuigen.
Andere figuren die eenvoudig met een rolroertoestel, en sommige soms met een standaard trainer uit zijn te voeren komen nu aan bod.

De volgende zes figuren zullen achtereenvolgens worden besproken:

  1. Looping
  2. Rol
  3. Cubaanse acht
  4. Immelman
  5. Hammermead
  6. Spin

1. Looping
Het meest bekend en vrij eenvoudig uit te voeren, ook met een basis trainer is de looping. Een looping is een volledige verticaal staande cirkel waarbij het de kunst is om de cirkel mooi rond te maken en daarbij het begin- en eindpunt samen te laten vallen.
Vlieg tegen de wind in met een horizontaal vlieg pad en horizontale vleugels, trek de hoogteroerknuppel naar je toe en geef eventueel maximaal gas. Houdt de knuppel zo dat je een mooie, ruime verticale bocht maakt, hoe ruimer en ronder hoe mooier. Neem vlak voor het bovenste punt gas terug en geef iets minder hoogteroer om de lus mooi rond te houden. Op 1/3 van de lus vóór het horizontale pad geef je weer rustig gas om op dezelfde lijn uit te komen als waar de figuur is begonnen was. Een goede looping is mooi rond en eindigt op hetzelfde punt als waar hij is begonnen. Waai je iets uit het verticale vlak dan kun je dit corrigeren met het richtingsroer en/of de rolroeren.

Een looping is één van de eerste figuren die veel aspirant piloten
uitvoeren, zelfs met een eenvoudige trainer, als er maar voldoende
vermogen aanwezig is.

2. Roll (alleen uitvoerbaar met rolroeren)
Een roll is een 360° draai van het toestel om de langsas. Een oefening die je in principe alleen maar kunt uitvoeren met een trainer met rolroeren. Een snelle rol is het makkelijkste omdat je hier weinig hoeft te corrigeren, een wat langzamer rol, of een meerpuntsrol, vergt een continue correctie met hoogte en richtingroer, iets wat je alleen maar kunt ontdekken door veel doen.
Als het toestel op zijn kop hangt heb je namelijk een beetje "down" nodig, als hij op ijn zijkant hangt een beetje "up of down" om op koers te blijven, terwijl je dan ook een beetje "rudder" moet corn-

3. Cuban eight (alleen uitvoerbaar met rolroeren)
Een Cuban Eight kun je zien als een achtvormige figuur dat verticaal in de lucht staat, met beide cirkels in één verticaal vlak. De eerste helft is een loop tot ongeveer 210°, gevolgd door een halve rol vlak na het bovenste punt. De vleugels moeten daarna weer horizontaal liggen. Met een lichte duik wordt doorgevlogen naar het begin van de tweede loop. Maakt weer een halve rol na het bereiken van de top en duikt weer naar het begin van de eerste loop. De bedoeling is dat de figuur symmetrisch is en beide loops op dezelfde hoogte liggen en even groot zijn.

4. Immelman (alleen uitvoerbaar met rolroeren)
Een Immelman is een ontwijkmanpeuvre uit de eerste wereldoorlog en bestaat uit een halve looping, gevolgd door een halve rol. Het toestel ligt dan weer horizontaal, maar vliegt op een hoger niveau in tegengestelde richting.

5. Stallturn of hammerhead
Voor een stallturn wordt het toestel in een strakke 90’ bocht recht omhoog gestuurd.  Na een stukje te hebben geklommen wordt geleidelijk aan het gas terug genomen waardoor tot het toestel vertraagt tot het bijna stil ligt. Op dat moment wordt vol richtingsroer gegeven, waarbij even volgas kan worden gegeven om en het richtingsroer vol te laten aanstromen. Hierdoor ontstaat een moment op de topas (die nu horizontaal staat) die de romp laat kantelen. De neus gaat daarbij naar beneden en het toestel gaat weer versnellen. Neem nu geleidelijk aan gas terug en breng het weer in horizontale positie. De figuur is goed uitgevoerd als de turn geheel in het verticale vlak ligt en begin en einde  weer in hetzelfde vlak liggen.

6. Spin (alleen uitvoerbaar met rolroeren)
Een spin was bij de lichte toestellen een nachtmerrie voor de piloot. De oude jachtvliegtuigen uit de eerste wereldoorlog hadden hier vaak last van al ze in een luchtgevecht krappe en/of steile bochten moesten trekken. Als dit gebeurde was het einde meestal nabij. Geleidelijk aan leerden men dit te beheersen en hoe weer uit een spin te geraken.
In de modelvliegerij behoort een spin nu tot één van de aerobatic figuren. Eigenlijk een bijzondere manouevre waarin je niet wilt geraken en dan toch weer de kunst om eruit te komen.
Ten eerste: hoe kom ik in een spin? Voor een gecontroleerde spin is een toestel nodig met rolroeren. Verminder in horizontale vlucht de snelheid totdat het toestel overtrekt. Op dat moment wordt in dezelfde richting zowel vol richtingsroer als rolroer gegeven en dit wordt vastgehouden. Als dit voldoende heftig is zal het in een spin geraken. Hou dit een aantal slagen vol!
Ten tweede: hoe kom ik weer in een normale vliegstand? Om er uit te geraken is het meestal voldoende om de knuppels weer in de neutrale stand te brengen of enige tegenstuur te geven.  Hoe dit precies uitgevoerd moet worden is afhankelijk van het model en door training moet dit aangeleerd worden. Bij een goede uitvoering zal de spin daarna stoppen en het is de kunst om dan de oefeningen te vervolgen alsof er niets aan de hand was! Oef, dat was heftig!

adverteren | contact | © 2007