|
Besturing om de topas van staartloze vliegtuigen Met uitzondering van de vliegende vleugels, vindt men bij alle staartloze vliegtuigen verticale stuurvlakken, in de vorm van een richtingsroer aan het eind van een verlengde romp of als verstelbare winglet aan de vleugeltip. Bij een centraal kielvlak aan het eind van de romp is de momentarm zo klein dat daarvan nauwelijks een goede werking mag worden verwacht. De constructie met roeren aan de vleugeltips is wegens de grote momentarm, die gelijk is aan de halve spanwijdte zeker de betere oplossing. In mechanisch opzicht is deze uitvoering wat minder eenvoudig als de vleugel gedeeld is en ook uit aërodynamisch oogpunt is dit niet geheel zonder problemen. De meest doeltreffende uitvoering van wingletroeren is die waarbij alleen het roer dat de binnenbocht vliegt wordt uitgeslagen en de andere blijft in de neutrale stand blijft staan. Daardoor wordt een weerstand opgewekt die een draaiing om de topas, het gieren, introduceert. Wanneer men het roer uitvoert met een achter liggend draaipunt, ongeveer zoals dat bij aerodynamische balancering van rolroeren wordt gedaan, zal tevens een deel van de stroming langs de vleugel in de binnenbocht loslaten. Als gevolg daarvan vermindert de lift van deze vleugelhelft, wat een rolmoment in de gewenste richting tot gevolg heeft. Dit effect kan nog worden versterkt door de winglet onder een kleine hoek t.o.v. het vleugelvlak te plaatsen. Bij de Canary is dit 5°. Een probleem bij deze wijze van besturen is de invloed op de stroming die plaats vindt als gevolg van de drukvereftening aan de vleugeltips, de tipwervel. Bij dunne vleugels kunnen hierbij flutterver schijnselen optreden. |
||
|
adverteren | contact | © 2007 |
||
